Betiteling in het budo

dsc_1610-1280-848 Obi

 

Betiteling in het budo

Artikel Willem Neuteboom

De traditie van titulatuur en rangverhouding binnen het hedendaagse budō komt tot uitdrukking in het kyū en het dan-i systeem. Het martiale lesgevend kader heeft daarnaast een hiërarchie in de vorm van het zogenaamde shōgō systeem. Terwijl de oude krijgskunsten in sommige gevallen nog steeds uitgaan van het menkyō systeem.

Een dangraad staat voor een bepaald niveau van kunde en kennis van de beoefenaar en wordt binnen de betreffende budō formeel erkend. In sommige budō, zoals het karatedō, judō en jūjutsu gebeurd dat door het toekennen van gekleurde banden voor het kyū-examen en een zwarte band voor het danexamen. De obi of band, een reep stof dat aanvankelijk werd gebruikt om het trainingsjasje dicht te houden, is uitgegroeid tot het archetype van deze hedendaagse krijgskunsten, omgeven door mystiek en symboliek. Eigenlijk is de obi een kledingstuk dat al eeuwen lang bij de Japanners in gebruik is. Het houdt niet alleen de kleding bij elkaar, maar dient ook om wapens tussen te dragen. Bekend is de daisho, het symbool van de samoerai in het oude Japan met het lange en korte zwaard in de obi.

Dan-i
Op het einde van de negentiende eeuw ontwikkelde Jigorō Kanō het judō, uit de toen aanwezige oude jūjutsu stijlen. Gekoppeld hieraan en opgezet vanuit pedagogisch en didactisch oogpunt, voerde hij het dan-i kwalificatiesysteem in. Hij verdeelde uit pragmatische overweging zijn studenten in beginners en gevorderden; de mudansha, iemand zonder dangraad en de yudansha, iemand met een dangraad (sha is persoon, mu is zonder, yu is bezitting). De yudansha zijn te herkennen aan een zwarte band en kunnen in het systeem opklimmen van eerste tot en met tiende dan. Het systeem werkte goed en is na verloop van tijd overgenomen door de verschillende budōstijlen, die zich hadden aangesloten bij de Dai Nippon Butokukai, de overkoepelende Japanse bond voor de krijgskunsten.

Het woord ‘dan’ betekent graad, stap of trede. Een shodan of eerste dan geeft het recht op het dragen van een zwarte band. Een danexamen meet voornamelijk het technische en mentale niveau van een student. Shinsa is een examen, het op formele wijze afleggen van een budōtest. Bij het karatedō worden hogere dangraden, meestal na de zesde dan, verleend voor bijzondere inzet, een uitzonderlijke prestatie, bewezen diensten of bijdrage aan de ontwikkeling van het karatedō. Hoewel zeer uitzonderlijk kan in het karatedō een tiende dangraad worden verkregen, meestal is dat alleen voorbehouden aan een grootmeester of oprichter van een stijl.
Vanaf de zesde dan kan worden overgegaan op het dragen van een rood-wit geblokte band. Na de achtste dan mag een rode band worden gedragen. Sommige leraren op dat niveau kiezen er voor om de cirkel af te maken en weer een witte band om te doen. In het jodō, iaidō en kendō wordt wel met dangraden gewerkt, maar niet met gekleurde banden.
Een systeem van erkenning van iemands vaardigheden bestaat in Japan al sinds de eerste krijgsscholen zich eeuwen geleden hebben ontwikkeld. In de zestiende eeuw is er reeds sprake van dangraden bij traditionele Japanse kunsten, zoals muziek, bloemschikken en de theeceremonie.

Kyū
Het woord ‘kyū’ geeft aan een graad, klasse of rang beneden de eerste dan. In het karatedō is de weg naar de zwarte band meestal verdeeld in acht of tien stappen. Deze worden aangegeven met een reeks gekleurde banden, die steeds donkerder worden naarmate de student vordert. Bijvoorbeeld voor de achtste tot en met de eerste kyū kan dat zijn: geel, oranje, groen, blauw, paars en drie keer bruin. Overigens kennen de meeste traditionele karate dōjo in Japan voor de mudansha slechts een witte band en in de fase vóór het danexamen een bruine band.

De regenboog kleuren voor het kyū-systeem is in de vijftiger jaren van de vorige eeuw bedacht door de, in Parijs wonende, Japanse judōleraar Mikonosuke Kawaishi. Zijn idee om de vooruitgang van zijn studenten te koppelen aan gekleurde banden sloeg aan, verspreidde zich door Europa en werd iets later ook op het Amerikaanse continent overgenomen. De achterliggend gedachte gaat uit van een voortdurende fysieke en persoonlijke ontwikkeling van de beoefenaar in didactisch verantwoorde stapjes. Op het einde van elke geslaagde stap kan de gekleurde beloning in ontvangst worden genomen. Door het vele trainen wordt de witte band vuiler en daardoor steeds donkerder totdat deze zwart is. De zwarte band geeft aan dat de toetsen van verworvenheden en karaktervorming tot nu toe overwonnen zijn; de eerste stappen op de weg zijn gezet en de reis van de zwarte band gaat beginnen…

Bij het wedstrijdkarate heeft de World Karate Federation gekozen om de deelnemers aan kata of kumite wedstrijden te duiden met een rode en blauwe kleur. Deze kleuren gelden zowel voor de obi als voor het zichtbare protectie materiaal. Deze kleuren hebben hierbij op zich geen verdere betekenis.

Shōgō
Het shōgō of titelsysteem voor leraren, gaat uit van zowel technische en lesgevende vaardigheden als van het doorgeven van morele waarden. Bijkomende aspecten zijn het optreden als scheidsrechter bij wedstrijden, deelnemen in jurycommissies als examinator en een algemene inzet voor het verbreiden van de betreffende budōdiscipline. Voor sportleraren zijn er tegenwoordig in Nederland gedegen sportopleidingen, die vaak verzorgd worden door de sportbonden waarbij de betreffende budō is aangesloten.

Shidō (sha) is een assistent leraar of trainer.
Renshi is de derde lerarengraad en betekent polijstende leraar. Het kan worden toegekend aan een vijfde of zesde dan.
Kyōshi is de tweede lerarengraad en betekent vaardige leraar. Het kan worden toegekend aan een zevende of achtste dan.
Hanshi is de eerste lerarengraad en betekent meester leraar. Het kan worden toegekend aan een achtste dan of hoger. Vaak is het een leraar-instructeur aan het hoofd van een organisatie en/of een bepaalde stijl. Van origine betekent het: uitzonderlijk zwaardmeester.

Sensei
Onder het begrip ‘sensei’ wordt verstaan leraar of meester. Degene die voorging c.q. eerder heeft geleefd (sen is vooraf, sei is leven). Het is een aanspreektitel voor iemand die les geeft en een respectabel niveau in zijn kunst heeft bereikt. Het adjectief ‘O‘ of ‘Dai‘ wordt soms gebruikt om een topleraar van een bepaalde traditie aan te duiden.
Meijin is een eretitel voor een eminent grootmeester in een Japanse kunst; letterlijk een briljant persoon.

De scholen van de oude krijgskunsten
De bushi of Japanse krijgers richten bugei ryuha of krijgsscholen op om de kennis en kunde opgedaan tijdens de strijd op het slagveld en in duels te bewaren en door te geven. Vooral op het einde van de zestiende eeuw gaan de bushi gevechts- en wapentechnieken standaardiseren en systematiseren. De technieken en strategieën worden door directe onderwijzing mondeling overgedragen. In sommige gevallen is de herkomst en ontwikkeling van de stijl vastgelegd in makimono of densho, familiemanuscripten in de vorm van rollen, waarin de leerstellingen, martiale technieken en strategie van de stijl zijn opgetekend en geïllustreerd.

Koryu verwijst naar de oudere martiale scholen en stijlen. Veelal wordt de kennis van de stijl in de loop der tijd aangevuld en bestendigd met kennis en ervaring vergaard door latere generaties van grootmeesters. De meeste oude ryuha zijn over het algemeen sterk gelieerd aan een bepaalde familieclan. Deze scholen hebben er toe bijgedragen dat de Japanse martiale tradities zo lang, tot in de huidige tijd, bewaard zijn gebleven.

De term ‘ryu‘ wordt gebruikt in de zin van stijl, systeem, school of gedachte. De letterlijke vertaling van het karakter ryu betekent het stromen van water. Dit dekt de omschrijving van de ryuha als een levende traditie waar binnen de theorieën, doctrines, tactieken en technieken verder worden ontwikkeld en doorgegeven naar volgende generaties. Dit gebeurt onder leiding van het hoofd van de traditie, de zogenoemde soke of sodenke. De vertegenwoordigers van de oudere mariale stijlen geven sodensho uit. Dat zijn manuscripten of diploma’s vaak in de vorm van rollen, die dienen als bewijs dat de student het curriculum van de stijl, of een deel daarvan, beheerst en legitieme volgelingen zijn van een bepaalde leraar. Het bevestigt de positie binnen de traditie.

Elk zich respecterende martiale school beweert zijn eigen specifieke geheime technieken en kennis te bezitten; de menkyō kaiden of de geheimen van de kunst. Deze technieken zijn slechts bij een klein aantal personen van de stijl bekend en zij houden het monopoly van deze geheime kennis in stand. Echter niet alle kennis binnen een ryuha was zo esoterisch. Er zijn drie niveaus van doorgevers van kennis te onderscheiden: kirikami, mokuroku en menkyō kaiden. Het eerste niveau houdt zich bezig met de fundamentele beginselen van techniek, houding en mentale voorbereiding. Daarna volgt in de mokuroku fase, de kunde van het overbrengen van de principes en de strategie. Als laatste vindt de inwijding plaats in de geheimen voor de menkyō kaiden. De bezitter van deze menkyō of vergunning kreeg het recht om de stijl verder te vervolmaken of zijn eigen stijl te stichten. Het menkyō systeem was vooral belangrijk voor het in stand houden van de school.

Soke en Shinan(ke)
Het overdragen van de traditie was en is een serieuze aangelegenheid. In het ideale geval krijgt een gezinslid of een naast familielid de eer om het hoofd van de stijl te worden. In de meeste koryu bujutsu worden de nakomelingen van de oprichter van de stijl, die aan het hoofd staan van de organisatie, soke genoemd. Omdat niet elke nakomeling beschikt over dezelfde talenten voor martiale kunsten, kan naast de soke een shihanke of hoofdleraar worden benoemd. Deze wordt gekozen uit de meest begaafde volgelingen met de hoogste technische en morele kwaliteiten. De verhouding tussen soke en shihanke is enigszins vergelijkbaar met die tussen keizer en shogun. De keizer is de belichaming van de goddelijke autoriteit, terwijl de shogun de wereldlijk leider is. De soke is de spirituele leider en onderhoudt de band tussen de doelstellingen van de stichter en de school. De shihanke is verantwoordelijk voor het behoud van de leerstellingen van de ryu en voor de instructie in de krijgskunsten. Door deze gescheiden functie van soke en shihanke is het mogelijk geweest de hoge kwaliteit en integriteit van vele ryuha te bewaren en door te geven. Voorbeeld in het kenjutsu is de Katori Shinto Ryu, waar Otake Risuke de shihan is en Iizasa Sukihada de twintigste soke.

Shihan versus hanshi
De begrippen shihan en hanshi hebben een verschillende betekenis, ondanks dat ze in klank dezelfde lettergrepen hebben. Het Chinese karakter han is in beide woorden het zelfde, maar voor shi verschillen de karakters. Het karakter han betekent: voorbeeld of model, ofwel degene die het voorbeeld geeft. Het karakter shi in hanshi betekent: heer, samoerai of geleerde. Het begrip hanshi is duidelijk omschreven als een hoge titel voor een docent in een bepaalde Japanse krijgskunst.
Het karakter shi in shihan betekent leraar, meester of model. Een shinan kan worden omschreven als een instructeur en coördinator. Het gebruik van de titel shihan en de waarde die er aan wordt toegekend is afhankelijk van de martiale organisatie of school die het toepast. Over het algemeen is de term shihan voorbehouden aan oudere leraren, met tenminste een zevende dan, die in hun doen en laten blijk geven van kennis en inzicht in de krijgskunst en zodoende een voorbeeld functie hebben. Een shihan staat meestal aan het hoofd van zijn eigen organisatie, die op haar beurt weer onderdeel is van en schatplichtig aan de honbu dojo, de hoofdadministratie van een bepaalde budōtraditie.